Masjiakilo

                        Masjiakilo.

 

 

Rond het einde van de jaren 50 werd het in het toenmalige Belgisch Kongo wat men met een eufemisme pleegt te noemen een beetje woelig, en ingrijpende veranderingen kondigden zich aan. De Belgische bezetting moest nu maar eindelijk eens gedaan zijn, en de roep om “deependance” klonk steeds luider ( en waanzinniger zoals later zou blijken). Het spreekt voor zich dat met het einde van de kolonisatie ook die klok begon te tikken die het verblijf van vele landgenoten aftelde, in een met de minuut grimmiger wordende sfeer. Langzaam kwam dus voor onze Belgen de repatriëring op gang.

Voor de meesten betekende dat een gedwongen terugkeer met achterlating van have en goed die zij in hun jonge loopbaan bijeen hadden geharkt. Misschien was dat niet altijd even koosjer gebeurd, maar wij zullen dat niet veralgemenen, evenmin als wij alle “dépendance”-schreeuwers over de zelfde kam mogen scheren nietwaar, alhoewel..

Het is duidelijk dat bij wijze van terugslag ook van hieruit van de zeldzame zwarte arbeiders het doopceel werd gelicht, en sommigen werden dus als vergelding zonder veel boe of bah onmiddellijk het land uitgestuurd, b(l)ack to the roots als het ware.

Vooral arbeiders van het zware werk werden het voorwerp van hatelijkheden en moesten terug. Een van hen was Dieudonné Mboko, bij de collega’s beter gekend als “Dieu” al dan niet voorafgegaan door “nom de…”. Dieu was havenarbeider en als dusdanig belast met het versjouwen en wegen van stukgoed voor een verzendingsfirma.

Voor het betere weegwerk werd hij gesecondeerd door een joekel van een “bascul”, door hem gemeenzaam “masjiakilo” genoemd, in één woord, en bij nader toezien voortkomende van “machine à kilos”, ofte weegschaal, maar dan een grote. Hij was daar in de loop der jaren aan verknocht geraakt, en meer nog dan het afscheid van België en zijn collega’s deed de scheiding van zijn machien hem naar de zakdoek grijpen. Toen de dag van het vertrek kwam, trok Dieu zijn stoutste werkbottines aan en stapte naar de baas van de werf met de gewaagde bede of hij het voorwerp van zijn affectie misschien mocht meenemen naar de Zaïre, zoals zijn vaderland intussen heette.

Na wat moeilijk heen- en -weer gedoe stemde de werfleider uiteindelijk toe, met de bijgedachte dat het toch een oud toestel was, en dat de nieuwe technologie spoedig met veel verfijnder weegtechnieken en         -materiaal op de markt zou komen. 

En zo werd alles in gereedheid gebracht voor de verscheping van man en machine. Kort daarop voer de “Stanleyville” vanuit Antwerpen richting Afrika. Op de boot een fiere Dieudonné, die geen duimbreed afweek van zijn trouwe kompaan, en de tijd doodde met het bewaken en poetsen van “den bascul”. (Is trouwens een prachtig woord : samengesteld uit “bas (=laag, diep), en “cul” (= achterste, zitvlak, gat, poep); dus een toestel met een lage poep, of een zwaar gat of een diepgelegen achterste). Dit echter volledig terzijde.

Toen de boot eindelijk aanmeerde in de haven van Matadi werd met veel misbaar het cargo van Dieudonné gemonsterd en met nog veel meer gejammer en geschreeuw door de eigenaar zelve begeleid in zijn tocht vanop de boot naar de begane grond. Dieu zag rood van opwinding, dat wil zeggen nog ietske donkerder bruin dan normaal en het angstzweet drupte van onder zijn kroesels tot op zijn onderlip, en bij een neger wil dat ook wat zeggen.

Eindelijk kon de gemeenschap de masiakilo bewonderen en van alle zijden betasten onder het extreem waakzame oog van Mboko.

Vanaf nu ging het snel: de tamtam gaat in de brousse sneller dan een doordeweeks telexapparaat en zodoende stond enkele dagen na de ontscheping van het masjien de hele dorpsbevolking Mboko op te wachten, met de stamoudsten uiteraard vooraan in hun beste pak of wat zij daar onder verstaan. Luid gejuich viel hem te beurt toen de olifant met de weegschaal vanuit het struikgewas te voorschijn kwam. Het geluid verstomde als de masjiakilo werd onthuld en de monden van verbazing openvielen. Dieudonné zette een hoge borst op en genoot zichtbaar van het succes dat zijn souvenir te allen kante te beurt viel. Natuurlijk kon hij er niet onderuit om tekst en uitleg te geven en indien mogelijk ook een praktische demonstratie van wat dat wonderbaarlijke tuig allemaal kon.

Dieu liet zich niet pramen, en startte direct met grote gebaren aan een deskundige technische uitleg over de vaardigheden van de wonder-baarlijke teletijdmachine.

Na de obligate begroeting en respectbetuiging tegenover de oudsten werden deze gesommeerd als eersten in de rij te gaan staan gevolgd door de gewone dorpelingen. Fier als een pauw stonden zij te blinken om zich dan, geheel volgens de uitgelegde voorschriften, met veel plichtplegingen te laten wegen op de masjiakilo van Dieudonné Mboko.

De een na de ander nam plaats op het weegplatform, en Dieu keek steeds weer met dezelfde pseudogeleerde blik naar de wijzerplaat die het gewicht van de patiënt aanduidde. Véél respect viel hem telkens weer te beurt als hij met luide stem afriep:

« soixante-trois kilos brut ! »

« cinquante kilos net ! »

« Soixante-douze kilos brut  ! » 

Het galmde keer na keer, en de dorpelingen vielen in mekaars armen van vreugde omdat één van hen het zo ver had gebracht  dat hij helemaal uit België gekomen was met een enorme masjiakilo.

Stilaan echter stootten de ellebogen van de dorpsoudsten tegen mekaar en na enige tijd raapten zij hun moed bijeen en dorsten naar Dieu toe te gaan met de vraag wat of nu wel telkens die “brut” en “net” terzake deed, want dat zij in hun sobere ignorantie daarop het antwoord moesten schuldig blijven.

In een bijbelse sfeer, ex cathedra als het ware, voer Dieu uit tegen de onwetenden en bracht het licht over hun verdwaasde ogen. 

“In Belgie moest ik veel zware dingen wegen, en als jullie denken dat was simple dan zijn jullie zwaar mis. Soms moest ik de stukken van hun emballage ontdoen, en andere weer niet. De werfleider zei tegen mij: “Dieu, als gij werkt met mij gij moet onthouden twee dingen zeer goed: als gij iets weegt met de zak er nog aan, dan roept gij “BRUT”, en als gij wat  weegt zonder de zak, roept gij “NET”.

Dus, ik denk aan mijn chef, en als ik de man weeg, ik roep natuurlijk “BRUT ! ”, en bij de vrouw is het “NET ! ”, en zo is het maar net. 

Veel goedkeurend gemompel steeg op uit de verzamelde menigte, die een en al bewondering was voor zoveel deskundigheid.  

Het heeft nog jaren geduurd voor ze in het dorp de relevantie van deze wetenschap begrepen, maar toch werd in de toekomst de naam van Dieudonné Mboko alleen maar met de allerhoogste eerbied uitgesproken tot op de dag van vandaag.

 

.N.B. Dit is een verhaal zo oud als de Congo, maar het blijft leuk. En onschuldig.

 

 

 

 

‘t Gestichte

  ’t Gestichte. ’

Mijmeringen bij de geplande afbraak van het

Kollege O.L.V. van Deinsbeke te Zottegem.

 

 

 

Er lag een roodwollen tapijt als loper op de trap naar de kamers van de priesters-leraren.

Dat tapijt was tegen het loskomen beschermd door koperen roeden die het tegen de trapneus drukten  zodat de gebruikers niet onverhoeds de dieperik intuimelden. Het rook in de traphal  meestal naar sigaren, en ook naar oude boeken. Het weinige licht dat door de halve deur met glaspartij naar binnen viel gaf aan de hele vestibule een mistige atmosfeer, altijd een beetje geheimzinnige schemering. En dat was best aangenaam. De leraren schreden elke ochtend vóór dag en ontij die trap af om te ontbijten, te bidden en zich dan naar de respectieve klaslokalen te begeven. Er was er zelfs eentje, die over de treden zweefde, als raakte hij ze niet aan met zijn witte voeten in zwartleren sandalen. Het was privé daarbinnen, en je mocht er alleen maar in op uitnodiging. Het was er enigszins “het claustrum”, het geslotene.

Ikzelf ben daar een paar keer bij de algemeen directeur, die op de benedenverdieping zijn bureau had,  op het matje geroepen wegens balorigheid en gebrek aan discipline. 

Met gepaste schroom en geraden angst stond je vóór het pupiter van de directeur, die zich te dien tijde liever superior liet noemen, de hogere, als tegenpool voor de leraren op het tweede schavotje en het plebs, het lagere leerlingenvolk . Hij was een modern man, qua uiterlijk maar ook qua gedachtegoed. Wij, de leerlingen, moesten hem gewoon “Superior” noemen,  en niet “Mijnheer de Superior”, of “Mijnheer de Directeur”. Nee, gewoon “Superior”. Hij stond daar op. Hij had een bijzonder streng voorkomen en menig studerend kind begreep wat “de vreze Gods” betekende. Hoewel hij goed van hart was, maar het een sluit het andere niet uit.

Een anecdote.

Op een dag was er een feestelijk gebeuren in het ‘Gestichte’, waarbij er – een voor die tijd zéér vooruitstrevend initiatief- in het kader van de oecumene een Nederlandse (en ik vermoed protestantse) dominee in de kapel de eredienst kwam concelebreren of iets van die strekking.

De homilie was ook voor zijn rekening, en die was voor ons deels hilarisch, deels onverstaanbaar.

Want die Hollanders schrijven dezelfde taal als wij, maar spreken een totaal andere. Niettemin heb ik er één quote uit onthouden: bij de lovende verwijzing naar onze Superior, die gezegend was met de naam Etienne (Oste) had hij het steeds over “onze directeur Stephanus”. Bij die woorden zagen wij de schouders van onze Superior omhoog veren en zijn hoofd omlaag als verwachtte hij een dreun, en zijn ogen knepen dicht als beet hij in een zure appel.  Later hebben zij waarschijnlijk samen de roemer miswijn geheven en zal de mantel der wederzijdse verstandhouding zijn werk hebben gedaan. Om maar te zeggen dat hij het predikaat “directeur” verafschuwde. Deze terminologie is slechts in ere hersteld als de laatste priester-directeur is vervangen door de eerste leek. Mijn oudste broer was dus opnieuw” Mijnheer de Directeur”. Maar dit terzijde.

 

In het lerarenkwartier – the twilight zone- stond hier en daar op de overloop een rijkelijk van rood of groen fluweel voorziene bidstoel waarop de mannen bij tijdgebrek even konden knielen om te brevieren en het woord tot hun Grote Baas te richten. (Hun aantal slonk zienderogen omdat zij een voor een het Kollege moesten verlaten om in de omliggende parochies de ons ontvallen herders te gaan vervangen. Zij werden pastoor of onderpastoor met optie tot pastoor, want de ouwe hield het ook niet zo lang meer uit..).

De kamers zelf waren sober doch gezellig gestoffeerd, en boeken hadden de boventoon, naast het obligate gebedsgedeelte met kruisbeeld, bidstoel en bijbel. Een groot bureaumeubel met cursussen er op was een prominent aandachtspunt waar je niet naast kon kijken. Want daar gebeurde het allemaal.

In de donkerste hoek van de kamer stond een steeds keurig opgemaakt eenvoudig eenpersoonsbed.

Het was toen al een gebouw waar de jaren hun onmiskenbare stempel hadden op gedrukt.

 

 

Maar de charme was onweerstaanbaar, althans voor een buitenstaander.

 Ik moet bekennen dat ik nooit “naar de kamer” ben geroepen, en er is mij dienaangaande ook geen enkel feit bekend. Het “Gestichte” heeft op dat vlak altijd een onberispelijke naam gehad, althans in mijn herinnering. En ik wens die herinnering zo te houden.

De leraren konden via een voor de leerlingen verboden binnendoortje  naar de kapel, en dat vergemakkelijkte hun dagelijkse priesterlijke verplichtingen. Voor ons, leerlingen , waren het en zijn het (net) nog geheime gangen gebleven. Deze manier van verplaatsen droeg ook bij tot het waas van geheimzinnigheid dat rond die mannen (opzettelijk?) werd geweven, en veel vroeger had dat een onweerstaanbare aantrekkingskracht op jongelui die rechtstreeks van het kollege naar het seminarie zijn getrokken. Rari nantes, dat wel, en hun aantal is nu herleid tot ‘the flat line of zero’.

Die magie gaf ook verve aan het respect voor de leraren, omdat je die mensen niet kon inschatten.

Wat je niet kent kan je niet beoordelen, en daar houd je afstand van. En zo geschiedde.

Wij van onze kant moesten voor de misviering in rijen van twee onderaan de arduinen trap wachten, in alle weersomstandigheden, en dan per rij naar boven, naar de kapel. Het was een smalle traphal, met aan weerszijden een ijzeren leuning.

De treden zagen er met hun twee uitgesleten dieptes uit zoals de bovenkant van een scheenbeen, en alleen de opstaande boord in het midden herinnerde aan hoe ze er uit gezien moesten hebben vóór er duizenden kindervoeten  hun dagelijkse afdruk hadden nagelaten. Dikwijls is bij mij de gedachte opgekomen aan al die jongens die daar hun opleiding hadden gehad,  in goede en in kwade dagen.

Nu nog besluipt mij een hoge mate van nostalgie bij de herinnering  aan die stenen trap, waar we werden aangemaand ‘niet te lopen, niet te duwen, en vooral te zwijgen’.

De kapel zelf was een aangenaam vertrek om in te vertoeven. Stemmig, akoestisch perfect, en sereen van uitstraling. Een paar obligate biechtstoelen, en de communiebank met  de dieprode en witte bekleding. Onder die laatste moesten wij onze handen steken bij het communiceren, want de hostie werd toen nog op onze tong gelegd, en je weet nooit of ze er niet uittuimelde. Want ‘het lichaam van Christus ‘ werd  nog met véél meer respect en omzichtigheid behandeld dan nu. Te communie gaan was een verademing. Je zat immers de hele misviering geknield op bankjes van zes zeven man naast mekaar, en het eigenlijke zitten was slechts met mondjesmaat toegestaan. Het hout onder je knieën was wel van kerselaar, maar desondanks was je blij als je mocht knielen op de pluche van de communiebank.

Ik vergeet nooit het beeld van de jongenskuiten boven de boord van hun afgerolde gebreide kousen.

Sommige gebruind, andere atletisch, andere dun als stokjes. Wij zaten geknield op de bank en als je het hoofd boog was dat het enige wat je zag. Kuiten van pubers. Stel je voor.

Als misdienaar moest ik bij elk weer ’s ochtends om zes uur het bed uit want om zeven uur  was er altijd een misviering door een van de priesters die dienaangaande een beurtrol hadden. Met mijn collega was ik altijd vóór de celebrant reeds in de gezellig warme sacristie en samen zorgden wij er mede voor dat de miswijn niet de kans kreeg om slecht te worden. Ik vermoed dat de celebranten dar wel weet van hadden, doch door het feit dat zij steeds wisselden was er  geen enkele bewijsvoering tegen ons  mogelijk. Zij die het wel wisten waren ons trouwens zonder zoveel woorden dankbaar omdat zij door ons toedoen nooit verschaalde wijn moesten drinken. De kapel zelf baadde ook in een van wierook doordrenkte schemering en in de wintertijd kwam er door de glasramen alleen maar diepe duisternis.

Je kwam het gesticht binnen via een overdekte passage geplaveid met het fijnste mozaïek – nog geplaatst door kunstzinnige Italiaanse inwijkelingen- en voorzien van een paar flinke treden, zodat het telkens een heel gedoe was om je fiets zonder kleerscheuren naar de stalling te slepen.

 In het verlengde van de ingang liep een immens  portiek van glas en ijzer tot aan de prachtige fontein: een enorm  marmeren  half bekken op sokkel, met opstand tegen de muur, en centraal daarin een koperen leeuwenkop met een dito kraantje ter hoogte van zijn mond. In de zomer was dat het belangrijkste punt van de speelplaats, want het drinkwater was altijd fris.

Je zou het je nu niet meer kunnen voorstellen, maar nergens was de mogelijkheid ingecalculeerd om een auto tot op de speelplaats te rijden, laat staan te parkeren. Dat was ook niet nodig, want bijna niemand had er toen een. O tempora o mores…

Tegenover de monumentale ingang zag je aan de andere kant van de plaats het sanitaire blok.

Er waren pissijnen, en ook zitgelegenheden. Die waren afgesloten met groene deuren, die alleen de strategische plaatsen aan het zicht onttrokken. Boven- en onderkant waren ruim opengelaten teneinde de surveillant toe te laten te zien of er niemand werd vergeten. Hij kon meteen zien hoelang de leerling van de faciliteiten gebruik maakte, want jonge gasten mag je niet te lang alleen op het toilet laten. In dat verband moet ook gesignaleerd dat er regelmatig controle was van de broekzakken van de jongens op gaten en losse naden. Weinigen zagen daar de zin van in, en diegene die het wel begrepen zwegen er over. Kwaad kon het natuurlijk nooit, want knikkers verliezen was net hetzelfde als centen verliezen, en niemand kon zich dat veroorloven.

 

Onder de grote luifel was de bodem gelegd met kasseien. De voegen ertussen waren door de tijd heerlijk uitgesleten wat een extra attractie werd bij het knikkeren, en tegelijk voor een zeker comfort zorgde omdat je knikker er vaste voet in vond. Een ander vermaak was balspel, en een gevolg daarvan en preventie van accidenten daarvoor waren de ijzeren rasters die vóór de hoge ramen op het gelijkvloers waren aangebracht, teneinde de glasbreuk en de daaraan verbonden kosten te vermijden. 

Bij regenweer was het daar duwen voor een plaatsje, en had de bewaker van dienst de handen vol om opstootjes en rellen te vermijden. Je mocht trouwens onder het bewind van ene E.H.Plaetinck, die zich met ‘Prefekt’ liet aanspreken geen aanleiding geven tot enige vorm van muiterij, en daarom gold een samenscholingsverbod voor meer dan vier personen. Toen deze verordening stelselmatig met voeten werd getreden is hij overgegaan tot de zeer onpopulaire maatregel van het wandelen: de hele meute werd geacht zich in tegenwijzerzin  over de speelplaats te bewegen in rotten van vier of vijf al naargelang. Wegens algemeen protest is die maatregel na enige tijd ingetrokken. Plaetinck is dan ‘studieprefekt’ geworden, wat zijn jurisdictie beperkte tot de studiezaal.

Naast de mogelijkheid om te studeren in naschoolse opvang, bood deze zaal ook ruimte voor het meer mondaine gebeuren, het triviale. De proclamaties, maar ook de eindejaars -toneeltjes die zowel “Het gezin van Paemel” als “West Side Story” op de affiche hadden.

 

Hét hoogtepunt van het jaar was echter de Fancy Fair. De hele speelplaats veranderde in een echte Britse kermis, of tenminste een poging daartoe. Er stonden kraampjes met wafelen en pannenkoeken, en ook met eigengemaakt handwerk van sympathisanten en ouders van de leerlingen. Vlak voor het kleinere gedeelte van de speelplaats, waar de reusachtige platanen stonden die in de zomer voor schaduw zorgden en bij regen als schuilplaats dienden, was een podium georganiseerd voor het optreden van de eeuwige Kees Brug, die iedere jaar de hoofdattractie was. Wimpels en plastieken bloemen gaven het geheel een echt feestelijk karakter, en het was aangenaam om daar te zijn. Als er mij één ding is bijgebleven dan is het dat: een gevoel van zorgenloze vreugde bij de mensen, een diep welbehagen, misschien nog deels het gevolg van de blijdschap over het einde van de tweede wereldoorlog die nog niet zo heel lang geleden voorbij was. Over de hele fair hing een wolk van vriendschap en bijna liefde, zoals die later werd ervaren in Woodstock.

Het was als een hippie gemeenschap avant-la-lettre. Want we schreven toen nog 195….

Soms meende ik tot bij ons thuis de muziek reeds te horen, en ik kon niet wachten om er heen te gaan. Maar dat kan ook mijn gedacht zijn.

Fierheid was ons deel toen wij getooid met onze klak met de letters GS* erop naar de fancy fair mochten. En toen mocht het er eens van af, de spaarcentjes werden toen over de balk gegooid voor één keer. Want vakantie en reizen gingen toen nog niet hand in hand.

Die petjes moeten nu trouwens een collector’s item zijn, ik heb er geen meer.

 

Naast de kraampjes waren er ook attracties en volksspelen allerhande. Het meest spectaculaire was de onovertroffen ringsteking per fiets. Het vergde behendigheid en snelheid en accuratesse om met een lange houten stok kleine gordijnringen van een in de muur bevestigde standaard af te steken als een ridder in een steekspel. De winnaar was de kandidaat met de meeste ringen in de kortste tijd. Het kostte uiteraard altijd heel wat tijd om de ringen opnieuw te bevestigen voor de volgende fietser. Maar dat hadden de mensen toen nog : tijd. En dorst. En plezier na enige biertjes of druppeltjes. Leute. Dat is trouwens een woord dat nu bij wet verboden is. Een mooi woord: leute. In het Duits: “Leute”. Dat is “volk”. Daar moet een correlatie in zitten, dat kan niet anders.

Zaklopen, eierlepelen, waterflessen vullen met de mond, kortom, the lot. En volksdansen, onder begeleiding van een paar blokfluiten, Mike Oldfield  avant-la-letttre.

 

Er waren ook minder prettige momenten natuurlijk. De zaterdagmiddag. Strafstudie, en hoogzomer. Je moest toen nog vijf en een halve dag naar school, en dat deed soms zeer als het goed weer was. Dan zat je alleen of met ten hoogste drie dissidenten in een klas op het gelijkvloers met zicht op de Kasteelstraat of Neerhofstraat. Iedereen was naar huis, en daar  zat je dan, in een hete klas, aan een lessenaar tegenover een of andere leraar of in het slechtste geval tegenover de prefect. Jefken zaliger gedachtenis wist dat en hij schiep er genoegen in om langdurig te staan toeteren op zijn koperen ijshoorntje tot de bewakende supervisor smolt en voor de gedetineerde(n) een ijsje kocht. Wij zijn hem daar nog dankbaar voor. Ik weet het, het klinkt allemaal een beetje melig en nostalgisch tot en met.

Maar het moest mij van het hart, dat pijn deed omdat iemand onder de plakkaten met “verboden toegang” er op een karton had aangebracht met de tekst “ 10 jaar te laat”.

Want toch zullen wij het statige gebouw uit  onze herinnering missen, eens het weg zal zijn, en wanneer alleen in de mist van ons collectief geheugen de contouren vaag waarneembaar blijven. Bedankt ,Gestichte, voor de mooie jeugd.

 

 

 

*GS : Gesticht Sotteghem

 

 

 

 

 

 

 

Spanje – een reisverslag

SPANJE: een reisverslag.

 

 

 

De overlevering wil dat mijn grootvader langs vaderszijde “Kellermeister” was  ( ‘kelder-meester’ klinkt zo dunnetjes) in een groothandel van ‘ Wijnen, import en export ’ je kent dat wel, en dientengevolge ex officio een kenner van – tenminste – honderden etiketten die dagelijks in zijn gezichtsveld voorbijkwamen. Zelf heb ik die periode van hem niet meer kunnen meemaken, maar dat neemt niet weg dat mijn herinneringen drager zijn van ‘de verhalen’.

Hoe het met zijn feitelijke kennis van de inhoud van de voorbijkomende flessen gesteld was dat weet ik dus niet, maar ik ga ervan uit dat hij niet heeft nagelaten regelmatig een steekproef te doen om de kwaliteit van de te leveren goederen zonder enige twijfel te kunnen waarborgen. Ergo moet hij een beetje wijnkenner geweest zijn tegen wil en dank. Dat heeft hem gezondheidsgewijs geen windeieren gelegd, want hij heeft de gezegende leeftijd van 81 jaren bereikt in een redelijke conditie, en geef toe, veel meer moet dat niet zijn.

Mijn vader, zijn zoon dus, was in het gezin opgegroeid met flarden van de gesprekken die regelmatig over de edele vloeistof van “vader zijn werk” gingen. De namen van de vele “châteaux” in Frankrijk galmden in de huiskamer van mémé en pépé gegarandeerd even hard als “zegen ons en ook deze spijzen” en dus namen hun kinderen deze kostbare erfenis onbewust mee in hun verder leven. En zodoende ook de kinderen van hun kinderen. Wij dus. Aldus geschiedde.

Bij ons, dit wil zeggen in het gezin van mijn ouders, kwam dan ook regelmatig een goed flesje op tafel. Voor ons vader. Want dat was geen kattenpis, en zeker geen suikerwater voor aan de kinderen hun tutter. En daarbij, wij lustten dat toen toch (nog) niet.

De naam Vosne-Romanée, een edele bourgogne, werd steeds met de grootste eerbied uitgesproken, en in zijn kielzog de namen van Gevrey-Chambertin, Clos Vougeot en Pouilly – Fuissé. Dat was lafenis voor rijke mensen, en ons paste dankbaarheid alleen al omdat wij de namen kenden van wijnen die beelden opriepen van exotische zonovergoten oorden waar wellicht geen ene parochiaan ooit een voet zou zetten.

Châteauneuf du Pâpe. Pommard. Chevalier Montrachet. Passe-tout-grains. We verloren bijna het bewustzijn bij het horen van die namen omwille van de eerbied waarmee mijn grootvader die woorden prevelde. Het waren net verhalen, als het ware sprookjes uit duizend en één Nuits St Georges.

Dat heeft ons getekend. Daar zijn sporen van achtergebleven.

 

Jaren nadien bekroop ons – mijn vrouw en mezelf – het (on)zalig  verlangen om de vakantie toch een beetje verder dan onze Ardennen te gaan beleven. En de kust, daar hadden we het al lang mee gehad, en in Oostenrijk waren we roemloos uitgeregend. Je zou van minder gaan ontsporen.

Dus richtten we onze vermetele blikken op het zuiden van ons continent: het moest en het zou het zuiden van Frankrijk, of anders zéker Spanje worden. Maar zuidwaarts was de roep.

Daar is het altijd goed weer en daar zie je de appelsienen echt waar aan de bomen groeien…zeggen ze.

Stilaan werden plannen in die richting gesmeed. De vraag naar informatie drong zich op, en links en rechts legden wij ons hunkerend oor te luisteren. Niet geheel vruchteloos mocht weldra blijken.

Bleek immers een gegoede parochiaan meerdere appartementjes te beheren in de nabijheid van Salou, een roemrucht stadje gelegen aan de Costa Dorada oftewel in het Nederlands de ‘goudkust’.

Van exotisch gesproken, dat kon tellen. Van op het balkon zag je de palmbomen op de binnenparking en aan de andere zijde van het gebouw ruiste de Middellandse zee onverstoord haar lied zonder eb noch vloed. ( Later stelden wij vast dat je van uit het betrokken appartementsgebouw bijna kon spuwen op Salou, zó dicht lag het.) Vreugde alom, en plannen maken en dus meteen zenuwen en bezorgdheid. Want 1500 kilometer is geen habbekrats, geen peulenschil. Voorbereidingen op gebied van cartografie, want GPS  bestond nog niet en we gingen langs de ‘binnenbanen’, de zogenaamde ‘duivenroute’. Zó erg kon dat dus toch niet zijn.

 

Daar zou ik bij nader inzien toch twee keer over nadenken. Zulke blasfemieën kraam je zo maar niet gratuit uit. Want het is miljaar ver. En dan ga je vanzelfsprekend volledig te goeder trouw via de ring rond Parijs. Zot. Dààr moet je gaan oefenen voor je rijbewijs zie. Dààr leer je rijden. Op de “périphérique”. Een rotondeke om U tegen te zeggen. Een baanvak of tien twaalf naast mekaar en ettelijke kilometers lang en allemaal aan meer dan 100 kilometer per uur en iedereen moet wel ergens afslaan aan een of andere“porte”(uitrit). Wij moesten er af aan de “Porte d’Italie”.

Ver? Héél ver.

Wij waren ietsje voorbij Cahors even de weg kwijt geraakt, en op een niet nader gekend dorpsplein kwam net een huisdokter (ik wist dat want het stond op zijn naamplaatje aan de deur) uit zijn huis  om aan zijn namiddagronde te beginnen, en dus vroegen we hem bescheid. Of hij ons kon tonen welke richting we uit moesten voor Perpignan. Want we moesten daar vóór donker zijn. Eerst zei hij niets, dan draaide hij zich om naar zijn vrouw die in het portiek stond te luisteren, en ik zag haar wijsvinger heel traag naar haar rechterslaap schuiven, waarop hij instemmend naar haar knikte.

Maar onverstoorbaar dreef ik iets later via zijn aanwijzingen de wagen richting zuiden. Het was helaas diep in de nacht toen wij de grens met Spanje bereikten en de naam La Jonquera in de koplampen zagen oplichten. De kinderen sliepen al een hele poos en mijn vrouw vocht een ongelijke strijd uit met de zandman, een strijd die ze tenslotte meermaals verloor. Maar de slogan “nie pleuen” indachtig kreeg hij ( de zandman) mij –gelukkig- niet klein, hoewel het verre van een gemakkelijk gevecht was..

Het was al bij al een hachelijke onderneming die slechts dank zij St Christoffel en Broeder Isidoor zonder averij kon worden beëindigd. Volgende keer zou de reis via de autostrades gebeuren. Geen gedoe meer. De gevreesde “péages” betalen en daarmee gedaan. Geen gehannes meer in godvergeten Franse dorpjes en kleine steden hoe pittoresk ook. Al waren we dat het eerstvolgende jaar een beetje aan onszelf verplicht wegens zilveren huwelijksjubileum op een locatie in het zuiden van het land van de Marseillaise, de guillotine en de Mont Ventoux. Arles om precies te zijn. Daar waren we getrouwd, het is te zeggen daar volbrachten we de wittebroodsweken. Week en half.

Maar dan kwam het volgende jaar eindelijk het supreme moment. Naar Spanje zullen wij varen, naar Spanje zullen wij gaan.

Voor de zoveelste keer de mercedes volgeladen, en vooruit met de geit. Luxemburg, Metz, Dijon, Lyon, Avignon, Orange, Perpignan, Le Boulou, La Jonquera, Barcelona, Salou, Cambrils. Dat was de reisweg. En is het nog steeds. Want we gaan nog. Zolang de gezondheid en de economische toestand en de algehele wereldvrede het toelaten natuurlijk zullen wij gaan. Maar nu terug naar de feiten.

 

Wij gaan de autostrade op. Joepie. Costa Dorada, here we come!

De feestelijke, door moderne barden bezongen, door vrachtwagenchauffeurs verguisde,  door Hollanders aanbeden “Autoroute du Soleil” verwachtte ons in al haar glorie.

Spoedig mocht ik ondervinden dat die autoroute een beetje een valse minnares is, want als je het het minst verwacht knijpt ze je in je kruis. En dat vereist een woordje uitleg. Ik weet het. Als je het nooit hebt meegemaakt kan je het niet begrijpen, dus ik probeer het zo goed mogelijk te beschrijven.

 

Je rijdt lustig en min of meer immuun voor het regelmatige “zijn we der nog niet?” en alles gaat goed. Stilaan gaat de zon onder in het westen en de horizon kleurt rood aan je rechterzijde. En je oefent nog altijd met wisselend succes een glimlach ten behoeve van je reisgenoten, om hen gerust te stellen en een goede nachtrust te verzekeren in de moeilijke omstandigheden achter in de auto. Want de nacht valt zienderogen en sneller dan je denkt. De koplampen floepen aan, en de zon gaat helemaal uit.

Weldra is het zo donker als verse pek. In ons lichtgepollueerd België is de betekenis van “donker” verloren gegaan, want het is hier nooit echt diep donker, de nacht is hier maar een schuchtere poging. Maar in “het buitenland” weten ze wel wat het is. Daar heeft de bijbelse betekenis van “duisternis” en ‘licht’ nog zin, daar snap je nog wat men bedoelt als men het heeft over Jezus de brenger van ‘het licht, de waarheid en het leven’. Je leert verstaan hoe de mensen vroeger schrik hadden van Kledden, Lange Wapper, Poltergeist, trollen en kollen en meer van dat fraais. Hoe de angst er diep in zat als ze ’s avonds buiten moesten en nooit zeker waren of ze ongeschonden weer binnen zouden geraken. Kortom,  waar de verhalen en de legenden en de mythen en de sagen vandaan komen. Duisternis was angst, grote onzekerheid, misdaad, dood. Hij die het Licht bracht was dus meer dan welkom, want hij was de verlosser van al hetgeen werd gesynthetiseerd in één begrip: de duisternis.

Dergelijke bespiegelingen hielden mijn geest alert tijdens de lange rit, en dat is een goede meditatieoefening terwijl je toch scherp moet blijven. Want scherp blijven moet je. Vooral als het na ettelijke donkere uren ineens in het Oosten ( links van je) begint te dagen. Als de kim dieprood kleurt en een feeëriek spektakel de hemel boven de “Etangs” van de Camargue verandert in het decorum van de Crazy Horse in Parijs. Diep zwart doorkerfd met donkerrood. Maar net zoals de show voorbijgaand is blijkt ook deze luchtspiegeling van beperkte duur. En na het visuele feest komt de rekening, in de vorm van een flinke klop van de man met de hamer…. Plots ga je vaart minderen omdat je een grote zwarte hond over de autobaan ziet rennen. Hij loopt van de bomenrij links van de weg snel naar het bos aan de overkant, en ei zo na was je op de rem gaan staan. Hier klopt iets niet. Er is geen boom, laat staan een bos, en die hond is een waanvoorstelling, gecreëerd door je vermoeide ogen en geest. En toch reiken de donkere bomen mekaar de kruin in een sinistere omarming. En je rijdt in een tunnel van donkergroen loof, waar hier en daar rode lampjes in hangen, als bij een kerstboom. 

En dan gaat in je onderbewuste een lampje branden.

 Je verplicht jezelf om je te realiseren dat je niet helder meer denkt. Te meer daar je op het eigenste moment in de Pyreneeën rijdt tussen granieten rotswanden waar nog geen grassprietje op groeit. En dat lampje gaat plots knipperen, steeds heviger en dwingender.

En dan kan je twee dingen doen: het signaal negeren, en dan is de kans groot dat je het niet gaat navertellen, of verstandig zijn en de eerste “aire” opzoeken om je te ruste te leggen voor tenminste een uur. (Tussen de bedrijven door zou ik toch willen meegeven dat het gekkenwerk is om in één dag/nacht deze reis te willen maken. Het getuigt van verregaande roekeloosheid en je mag blij zijn als je het er heelhuids van af brengt. Ik weet het, er zijn nog grotere gekken, maar dit ter zijde.)

Want “Aires” zijn er genoeg. En het zijn net die die mij steeds weer de melancholie aandragen en de herinnering aan “thuis”. “Aire de Mâcon, aire de Gevrey- Chambertin, aire de ….”  Er zijn er te veel om op te noemen. En allemaal voorzien van die prachtig klinkende exotische namen. Het water loopt je in de mond telkens je er eentje voorbij rijdt. En dan hoor ik weer even ‘pépé’ praten of mijn vader en dan bekruipt mij weer de eerbied waarmee je die namen uitspreekt. ‘Aires ‘ zijn rustplaatsen waar je soms iets kan eten of kopen om te eten, waar je eventueel een kleine of iets grotere boodschap kan achterlaten, waar je een beetje kan ravotten of slapen al naargelang de noodwendigheid. Er zijn er ook waar je ’s nachts liever niet alleen bent, en dan krijgen de namen een beetje een wrange smaak, maar die tracht je voorbij te rijden.

Maar gelukkig brengt de opgaande zon je tot andere gedachten en ziet alles er plots weer lieflijk uit, en zelfs aanlokkelijk. Hoewel we dat ook weer niet moeten overdrijven. Want afstand is afstand. En of het nu water giet of de zon brandt, het rubber van je banden moet elke centimeter aftasten. Daar is niets aan te doen. En nu en dan word je heus nog wel eens moe, en ga je al eens sneller een ‘area’ opzoeken. Want zo heten ze dan in Spanje.

Maar het is miljaar vèr. En zie, toch ben je het na één dag al vergeten. Want voor ons blijft het de moeite waard. Het zuiden, de zon, de vriendschap van de mensen als je ze eenmaal tot vriend hebt gemaakt. En Spanjaarden zijn hartelijke mensen, en gastvrij, en mooie mensen.

Maar aan allen die er zouden aan denken om naar Spanje op vakantie te gaan zou ik één goede raad willen geven: leer een beetje Spaans, het is de sleutel tot ontdekking van een totaal andere cultuur, een nieuwe wereld die zich situeert ver van de hotelkamer en van het obligate zwembad. Want Catalunya is intussen linguïstiek wel onafhankelijk maar ze verstaan de moedertaal nog altijd. Ze moeten wel want ze zijn verplicht van hogerhand.

We hebben daar toen mensen leren kennen die ons nu, na bijna twintig jaar, nog steeds een warm hart toedragen en ons belangloos laten meegenieten van al het mooie dat zij kennen van de streek waar ze zijn geboren, ook al kenden wij mekaar vooraf van haar noch pluimen.

Wij zijn welkom in hun huis en zij noemen ons hun familie. En stilaan heeft deze waardevolle vriendschap dan toch de bovenhand gekregen op de namen van de mooiste “châteaux” van Frankrijk. Bij deze zou ik willen zeggen:

 

Muchas gracias y hasta la vista!

 

 

Taal en zo…

DSC00084 Onze Vlaamse Taal. (

Onze Vlaamse Taal. (1)

 

 

 

Dit wordt een –belerend – stukje over taal. Daar zijn al duizenden boeken over geschreven, dus niemand zal aanstoot nemen aan een artikeltje min of meer…

 

“De Vlaamse taal is ( immers) wonderzoet voor wie haar geen geweld aan doet.” (G.Gezelle)

 

 

 

De Vlaamse taal is wonderzoet

voor wie haar geen geweld aan doet

maar rusten laat in ’t hart waar

ze  onmondig leefde en sliep

tot ze, eens wakker, vrij en vrank en

ongebonden door de mond naar buiten komt.

Wat een buitengewoon mooi luisterspel

wat een zielenprikkelend zinnenstrelen !

O Vlaamse taal, uw kunst komt tot haar recht

wanneer zij het allemaal vol leven

en vol onnoemelijke schoonheid strooit

die, zoals de wolk van wierook, opwelt

uit uw zoete wierookvat .

 

  

 De Vlaamsche tale is wonder zoet,

 

voor die heur geen geweld en doet,

 

maar rusten laat in ‘t herte, alwaar,

 

ze onmondig leefde en sliep te gaar,

 

tot dat ze, eens wakker, vrij en vrank,

 

te monde uitgaat heur vrijen gang!

 

Wat verruwprachtig hoortooneel,

 

wat zielverrukkend zingestreel!

 

o Vlaamsche tale, uw’ kunste ontplooit,

 

wanneer zij ‘t al vol leven strooit

 

en vol onzegbaar schoonzijn, dat,

 

lijk wolken wierooks, welt

 

uit uw zoet wierookvat!

 

 

 

G.Gezelle

 

 

 

 

 

 

 

Ook dit is taal, hoewel door haar leeftijd misschien niet meer zo goed verstaanbaar..vandaar mijn vertaling ernaast.

 

Ik citeer dit versje om te benadrukken dat onze taal nu en dan nog wel eens geweld wordt aangedaan, en dan liefst in het openbaar, en met verve. Gemolesteerd is een betere term.

 

En dat doet pijn aan de oren van iemand die een beetje verliefd is op taal. Als ik dat zo mag stellen. Ik weet niet hoe het met U is gesteld, maar als ik in de “media” de eigen voorstelling hoor van pakweg een quizkandidaat, dan begin ik reeds te beven:

 

“Mijn naam is De Cuyper Jacques, ik ben woonachtig te Lovendegem en ik ben tewerkgesteld in de Volvo te  Zelzate.”

 

Wat is er in des hemels’ naam mis met: “Ik ben …, ik woon te… en ik werk in.. of bij…”?

 

Ook nog: “Ik werk reeds een twintigtal jaar aan de band…” Ja maar, hoeveel is dat dan?

 

19 ? of 20, of 21 jaar ? “Ik werk reeds 20 jaar aan de band” Niet goed genoeg?

 

Het is trouwens pijnlijk om te zien en te horen hoe mensen die het in vriendenkring op café heel goed kunnen uitleggen- in hun dialect- plotseling betreurenswaardige sukkelaars worden als ze in het Nederlands een paar zinnetjes moeten debiteren “en public”. Het is natuurlijk niet iedereen gegeven om in het openbaar te spreken, want plankenkoorts kan niet alleen in het theater toeslaan, en kent vele vormen. Gelukkig is ons volk stilaan aan het ontvoogden, en kunnen zelfs sportlui een aardig stukje fraseren. Tot spijt van onze stand-up comedians (sorry voor de niet- Vlaamse terminologie), die er brood in zagen de stuntelende renners en voetballers te imiteren.

 

Noemen – heten

 

 

 

“ Ik zou het wel honderd keer zeggen, maar nu ben ik het kwijt, hoe noemt dat product nu weer”? Dat product noemt helemaal niets. Dat heet Ariel, en jij heet Jos. Jos noemt dat product Ariel, omdat het zo heet. Tergend is het, hoeveel mensen steevast weer in de val trappen, omdat heet nu toevallig met een H begint. En die H geeft  nog altijd een beetje reserve in een gewoon gesprek. Joost mag weten waarom. En hij weet het. Ik noem hem Joost, maar hoe hij verder heet weet ik niet. Ik ben er nog niet in geslaagd achter zijn volledige identiteit te komen. “Ik zen der nog nie in geslagen achter zijn identitaat te komen” zeggen ze in Antwerpen, en ze menen het nog ook. Je moet natuurlijk slagen voor je examen. Van het werkwoord slagen. Of je hebt misschien een flater geslagen. Van het werkwoord slaan. Voor een Antwerpenaar is dat dus Chinees. En dat geeft aanleiding tot de meest hilarische zinswendingen. Of ergernis is ook mogelijk. Want ze doen daar niets anders dan op mekaar slagen. Hihi.

 

 

 

Slaan, sloeg, geslagen.

 

Slagen, slaagde, geslaagd.

 

 

 

Ik ben er in geslaagd de Mont Ventoux op te fietsen. Naar boven lopen zou iets langer duren. Maar dat zou gaan. En opnieuw slaat Babel toe. Vooral in Nederland dan. Want Nederlanders en Vlamingen schrijven ongeveer dezelfde taal, maar spreken een totaal (hihi) andere. Dit echter terzijde als kanttekening.

 

 

 

Gaan en lopen.

 

 

 

Want lopen is in Nederland gaan.  ‘Het is nog een heel eind lopen.’ En dat al mankend met je voet in de plaaster. Neen, al hinkend met je voet in het gips. Lopen in het Vlaams is in het Hollands dan weer hardlopen. Of je nu hard loopt of niet. Gaan is een beetje een derderangswoord geworden in Holland, een vervelend onderdeurtje. Je gaat naar de keuken, maar je loopt het hele eind naar de bakker.

 

Gewoon gaan is meestal het laatste wat je doet, in de zin van : hij is gegaan, hij is niet meer.

 

Of : hoe gaat het? Het gaat goed, of niet. Voel je het? Nee, het loopt niet lekker….

 

 

 

Efficiënt en effectief

 

 

 

‘Dit wordt een efficiënte aanpak’, zegt de politicus. ‘Neen’, zegt de andere, ‘dit wordt een effectieve aanpak’. Ja maar wat is het nu? Wel, het is simpel. Het is allebei goed. maar.. er is een  klein onderscheid onderweg. Het resultaat van beide manieren van aanpakken is het zelfde, maar de manieren verschillen ‘an sich’. (Dat is Duits en is erg ‘in’, en moeilijk te vertalen). Als je het over een ‘effectief’ geneesmiddel hebt, dan betekent dat dat het medicament ook een resultaat oplevert. Dat middel kan ook ‘efficënt’ zijn, met het zelfde resultaat. Als je echter een eindproduct beoogt te maken op een efficiënte manier, dan ben je goed bezig, want dan betekent dat dat je het resultaat bereikt op de meest economische, meest spaarzame manier.

 

1. Je gaat van Wetteren naar Gent, via Melle, Merelbeke, Ledeberg en je bent er. In Gent.

 

2. Je gaat van Wetteren naar Gent, via St. Lievens- Houtem, Vlierzele, Massemen, Kwatrecht

 

enzovoort, en je bent er . In Gent. Conclusie? Doel bereikt.

 

 

 

 

 

  1. = efficiënt : doel bereikt in 20 min
  2. =effectief  : doel bereikt in 45 min.

 

 

 

En zo kan je nog wel even doorgaan. Maar dat doen we niet.

 

 

 

Antibiotica’s.

 

 

 

Veel mensen hebben het er over. Buurman heeft een zware ontsteking in de nieren en hij moet tonnen antibiotica’s nemen. Hij moet alle stadia’s van zijn ziekte nog doorlopen. Heel zijn leven heeft hij alle voetbalstadiums van zijn favoriete ploeg bezocht, en nu zit hij in een  stadion dat hij rust moet nemen. Laten we wel wezen: het eerste stadium van een ziekte is confronterend. De volgende stadia kunnen wisselen: hoopgevend of verontrustend.

 

Net als de prestaties van de ploeg in het stadion van hun thuisstad. In de verschillende stadions wil er wel eens een klein oorlogje woeden. Onthou dat.

 

Enkelvoud:  antibioticum, stadium,   stadion

 

Meervoud:  antibiotica,    stadia,      stadions

 

 

 

Oh, en in de keuken….scampies, scampi’s, zakoeskies en dies meer.

 

 

 

Scampo is een grote garnaal in het Italiaans. Als ze met meer zijn zijn het scampi.

 

Als je zegt ‘scampi’s’, dan is dat zoiets als mosselenen of garnalenen. Hoewel Van Dale gezwicht is voor de vox populi – helaas driewerf helaas. Het woordenboek keurt scampi en scampi’s allebei goed. Spijtig. Zakoeska is een hapje in het Russisch. Zakoeski is het meervoud daarvan. Dus zakoeskies is iets als pasteitjesjes. Let daar op.

 

 

 

Dus:

 

Enkelvoud: scampo,  zakoeska

 

Meervoud: scampi,   zakoeski

 

 

 

Spaghetti: mijn vrouw heeft gisteren lekkere spaghetti gemaakt. …? Heeft ze dan deeg gemaakt, spaghettisliertjes gerold en zo? Neen, je vrouw heeft lekkere spaghettisaus gemaakt. De spaghetti heeft ze gewoon gekocht in een pakje, in den Aldi. En met het gehakt en zo heeft ze zich een beetje uitgeleefd.

 

Tot zover de keuken.

 

 

 

“Ik had zoiets van…”

 

 

 

Bij verhalen over spannende situaties hebben onze mensen de irritante gewoonte om steevast “ik had zoiets van” te gebruiken. Daarvan krijg ik zo iets. Het is een mode-uitdrukking, ik weet het, maar dat is niet goed te praten. Het is een zinloze frase.

 

Je kan zeggen “ik had zo iets van mijn vader gekregen” waarbij mag verwezen worden naar een gelijkaardig voorwerp dat van papa gekregen is, maar dat is dan ook het enige verband waarin deze uitdrukking mag gebruikt worden. De rest is larie. Waarom kan je niet zeggen: “toen dacht ik…(bv. dit gaat fout)” of “toen voelde ik…”.

 

“Toen wist ik…”  Alternatieven legio. Maar ja, misschien ligt dat wat moeilijk.

 

 

 

 

 

 

 

Er zijn uiteraard eindeloos veel domeinen waar aan onze taal nog kan bijgeschaafd worden, maar zoals ze in het Frans zeggen :”Petit à petit, l’oiseau fait son nid.” Een vogel maakt zijn nest stukje bij beetje. En in de volgende “les” komen andere woorden aan bod.

 

 

 

Om Brusselmans te citeren: “Dank u voor uw ààààndacht”

 

 

 

Luc De Vrieze

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1)

De Vlaamsche Taal

DE VLAAMSCHE TAAL (2)

 

 

 

 

Zal ik je even een riem onder het hart steken? Of misschien geef ik je een antibiotica. Dat is goed voor je omega3 tekort. En een bordje poly-onverzadigde vetzuren misschien?

In het –enerverende – reclamejargon bulkt het van vreemde woorden met pseudo- medische of chemische connotaties. Voor de gewone commerciële-zender kijker is de betekenis ervan meestal onbekend en het begrijpen al helemaal een brug te ver. Maar de reclamejongens denken hiermee de argeloze burger  ten eerste murw te slaan en ten tweede hem over de streep te halen om het product-met-die-naam te kopen. Want als een valse dokter met een witte jas aan zegt dat het goed is, dan moet dat wel goed zijn. Je hebt zelfs reclamemensen die denken dat buurvrouw even bij de kruidenier aanloopt om een karton ‘vanish pure white oxi action’(sic) te kopen…??? Dat geloof je toch zelf niet.

Zij laten onze taal verloederen, neen, ze negeren ze gewoon. Vroeger had je sunlichtzeep en ommeldonk van remy ( Sunlight soap en amidon Remy).Dat waren tijden, wanneer de mensen de vreemde taal ombogen tot gemakkelijk te hanteren Vlaams-klinkende woorden. Nu is het helaas andersom.

 

Het is dus wel een hart onder de riem steken, en geen bord rijstepap bijvoorbeeld, of een zak sluimererwten. Met omega3.

 

Soms wordt iemand ervan verdacht “paranoia” te zijn, bedoeld als een te laken eigenschap, en verwoord als een zelfstandig naamwoord daar waar het een bijvoeglijk naamwoord moet zijn. Je kan paranoia hebben, maar niet zijn.

Je bent paranoïde, zoals je timide  (van het Latijn timor = vrees) bent, of ….

Je kan ook geen anorexia zijn, je kan ze alleen maar hebben. En anorexia komt van het Grieks: an en orexi. Want “smakelijk” in het Grieks is “kaliorexia”, van kalos (=goed, mooi) en orexi (orexeia = appetijt, eetlust), en ana betekent zoveel als zonder.. Je kan ook geen schizofreen hebben, je kan dat wel zijn, en je kan wel schizofrenie (gespleten persoonlijkheid) hebben. Dat wel.

 

Nu we het toch over de TV jongens hebben. Het zuur breekt mij op als ik de gerenommeerde canvas – journalisten in villa politica of iets van die aard bezig zie en hoor. Het schijnt hun enige betrachting te zijn er zelf zo onderlegd  mogelijk uit te komen. En dat doen ze dan door de antwoordende politicus steevast en zonder schroom te onderbreken in het volle van zijn betoog. Daardoor wekken zij de indruk beter op de hoogte van de materie te zijn dan de ondervraagde, en leiden zij het gesprek daarheen waar zij het willen. Het slachtoffer van dienst wordt dan de mond gesnoerd zonder respect voor wat de man of vrouw zegt, waardoor het er sterk op lijkt dat de vragen belangrijker zijn dan de antwoorden. Of nog meer dat de vraagsteller belangrijker is dan de ondervraagde. Moesten ze het met mij doen, ik zou ze laten zitten met hun pauwenveren in hun kont. Maar ik ben geen politicus of andere BV.

                        Een tweede fenomeen is de gehanteerde taal en uitspraak van de “gewone” nieuwslezers, de ankers zoals men ze noemt. Mij beklemt voortdurend de indruk dat niet wat zij zeggen belangrijk is maar de manier waarop zij het brengen, met hoofdknikjes en alles erop en eraan. Mevrouw Wachters Goedele ( het stikt bij de VRT van de Goedele’s) is daar een perfect voorbeeld van. Maar zij niet alleen. Die hoofdknikjes hebben ze trouwens niet van zichzelf, maar van de politiek, in kruisbestuiving als het ware. Hilde Crevits en Joke Schauvlieghe bijvoorbeeld zorgen bij mij voor aanvallen van duizeligheid wegens hun hevig schuddebollen bij het spreken.

Geef mij dan maar Goedele Devroy. Recht-voor-de-raap, niet in het minst gekunsteld, niet bang van een krachtterm als een auto over haar voet rijdt, kortom een meid zoals er meer zouden moeten zijn. Eentje die weet hoe de vork aan de steel zit. (En niet in de steel zoals landbouwwerktuigonkundigen wel eens durven te stellen, want de steel zit in de vork en niet omgekeerd, dus de vork zit aan de steel.)

Soms noopt de noodzaak tot vluchten uit die bekakte sfeer een journalist er toe zich in een andere “format” uit te leven, en dan krijg je plots de echte en de normale mens te zien, kijk maar naar Freek Braeckman die zich ontpopte tot een vrolijke Frans in ‘Café Corsari’.

 

Het hele VRT taalgebeuren wordt gestuurd door ene Ruud Hendrickx, de taaladviseur van de omroep, en tevens medeauteur van de dikke Van Dale.

En bij het solliciteren naar een baan als journalist moet je onvermijdelijk langs hem passeren. Dat is begrijpelijk. Je kan bijvoorbeeld moeilijk een Hollander zoals Johan Boskamp loslaten op de argeloze Vlaamse kijker, want dan begrijpt ie er helemaal niets meer van. Maar er zijn grenzen. Wouter Vandenhaute mag dan een zeer bekwaam zakenman zijn, maar als zijn vrouw op het scherm komt is het toch altijd even schrikken. Maar ze praat zeer naar de mond van Mr Hendrickx waarschijnlijk, en Woestijnvis is ook geen kleine vis, en die hangt aan de haak van Mr Vandenhaute, en zo draaien al de radertjes netjes geolied in elkaar.  Je moet bij de aftiteling van Vlaamse programma’s eens kijken naar de familienamen van de medewerkenden. Bijna allemaal hebben ze voorouders die in illo tempore iets vandoen hadden met de toenmalige NIR of BRT.  Maar ons hoor je niet mopperen.

De tijd van Fred De Bruyne is voorbij, en ook die van Karel Mommens. Helaas ook die van Rik De Sadeleer.

 

“Ze hebben het vlaggen”, “ze hebben het aan hunne rekker”, “ ze hebben het zitten”. Allemaal zéér kleurrijk, maar je kan er niet mee buiten komen. Beter gebruik je: ze zijn er aan voor de moeite”, of: “ het loopt niet goed af voor hen”. Trek uw plan”, neen, je zegt beter je bekijkt het maar”, of “zorg maar dat er zelf uit komt”.

 

 

 

“Het is allemaal geen avance” is een uitdrukking die wij Vlamingen graag in de mond
nemen. Niet doen. “Het helpt allemaal niet”, is ook  goed, beter zelfs.

Of “het brengt geen zoden aan de dijk” als je het iets kleurrijker wil.

 

Wij moeten opletten geen dialectvormen om te schaven tot een soort Nederlands waar je gegarandeerd mee af gaat. En er zijn legio uitdrukkingen die daartoe een grote kans maken.

En als wij dan moeten “schoon” spreken, dan staan wij met onze mond vol (echte of valse) tanden. Er is trouwens een mooie benaming voor het vals gebit in het Duits: ze spreken over “ ons derde gebit”, na de melktandjes en het eigenlijke gebit. Maar ze hebben nog een mooi woord, dit voor gehandicapten: ze spreken over “Behinderte”, mensen met een hindernis dus, en dat vind ik zo mooi verwoord dat ik het zelf graag gebruik als het er over te pas komt (let wel, ik schrijf er over, en niet erover, want dat zou erover zijn).

 

Iets ligt onder de tafel. Iets ligt er onder. Maar hij heeft eronder verstaan dat het er op lag. Terwijl wij erop toezien dat alles vlotjes verloopt. En zo gaat Mr Ruud Hendrickx maar door in zijn boek “JUIST”. Waarvan ik zeker geen kopie noch een samenvatting wil geven. Zeker en vast. Neen, vast en zeker is de geijkte uitdrukking.

 

Velen onder jullie zullen van het lam Gods geslagen (reeds héél vaak gehoord) zijn als ze dit allemaal lezen, en dat is begrijpelijk want wij gaan er allemaal van uit dat wij toch geen Nederlands meer moeten leren zeker, ’t is toch onze moedertaal, wat is me dat nu. De hand Gods zal ons helaas moeten geleiden willen we geen fouten meer maken in uitdrukkingen en gezegdes, want die worden mild in het rond gestrooid.

 

Alles hangt er een beetje van af (van afhangen) of het je betrachting is om in Vlaanderen over te komen als iemand die zijn taal machtig is. Want alleen dàn mag je in Voeren gaan betogen of lachen met het Nederlands van di Rupo. Dat vind ik daarvan tenminste.

Of pas dàn mag je je ergeren aan mensen die praten met lef en branie, maar de taalfouten aan mekaar rijgen als kleiparels aan een vleeskoord. En dat is niet direct iets om aan je nek te hangen. Maar we zijn op weg. Op de goede weg.

En dat strekt tot vreugde van hen die hun taal met liefde bejegenen.

Bij deze wil ik ook niet de pretentie hebben onfijlbaar te zijn (heb ik onlangs zien geschreven staan). Want onfeilbaarheid siert alleen de paus.